Lezing SLAA
Serie: Het idee van je leven
De Balie, 1 december 2004

De finesses van het vergeten

Als dit je geheugen mocht zijn. Een ruime kamer. Het licht valt door hoge vensters. Het is er schoon en ordelijk. Je herinneringen staan in rijen langs de wand, zorgvuldig bijgehouden, opgetekend, geïndexeerd. Loop er maar heen, pak een boek, een doos, een map. Je maakt de strikken los, bladert wat en al snel hou je in handen wat je zocht. Je loopt ermee naar de tafel en spreidt de vondst uit over het glanzende blad. Ga er maar even bij zitten, je hebt alle tijd, het kussentje dient het gerief. Het is er stil, je bent de enige bezoeker. Als je uitgelezen bent vouw je de papieren weer bijelkaar, strikt de linten en zet de map terug. Je kijkt nog even de kamer rond, je blik glijdt langs de banden die stemmig oplichten en dan trek je de deur achter je dicht, in het kalme besef dat alles wat hier staat tot jouw volgende bezoek onaangeroerd zal blijven. Want je weet: als ik hier niet ben, is er niemand.

Het is misschien niet ieders diepste verlangen een geheugen te hebben dat eruitziet als een kamer in het Drents Archief, kort na 1900. (Een kamer trouwens die, hoorde ik pas later, intern ‘de bovenkamer’ werd genoemd.) Maar denk je eens in: een geheugen waarin herinneringen stofvrij bewaard blijven, gevouwen in zuurvrij papier, met de juiste klimaatbeheersing, met een index die het terugzoeken vergemakkelijkt en vooral met een vasthoudendheid die garandeert dat ook een nooit opgevraagd stuk waar we na vijftig of zestig jaar opeens aan denken toch tevoorschijn komt. Wie koestert niet het ideaal van een geheugen waarin herinneringen veilig zijn?

De realiteit is dat een geheugen weinig wegheeft van een archief. Herinneringen staan niet op een rij, kennen geen chronologische ordening en vormen ook geen rubrieken. Herinneringen hebben niet het alles-of-niets-karakter van een dossier dat al dan niet aanwezig is: ze kunnen de ene keer wel voorhanden zijn en een andere keer niet. Herinneringen kunnen inelkaar schuiven of uitelkaar vallen, over elkaar heen komen te liggen. En het belangrijkste verschil: het geheugen is eindig. Weleens gehoord van een archief dat van het ene moment op het andere in het niets opging toen degene die het had aangelegd overleed?

We associëren het geheugen met bewaren, registreren, conserveren. De metaforen waarin in de loop der eeuwen over het geheugen is nagedacht getuigen daarvan. Of we ons het geheugen nu voorstellen als een wastablet dat de indrukken van een zegelring ontvangt, zoals de Grieken deden, als een duivehok, een honingraat of een perkamentrol, zoals in de middeleeuwen gebeurde, of als een hologram of computer, zoals sommige psychologen hebben gedaan, het primaire beeld in die metaforen is telkens het bewaren en optekenen. De taal voor het vergeten is meestal niet veel meer dan de wat onbeholpen omkering van het beeld: de was bleek te hard en te droog om een indruk op te nemen, de tekst is weer weggekrabd, de duif is gevlogen. Vergeten is nooit veel meer geweest dan wissen, schrappen of gewoon verdwijnen.

Diezelfde omkering van het beeld heeft de intuïtie gevoed dat je iets herinneren en iets zijn vergeten elkaar wederzijds uitsluiten. Wat je je herinnert ben je blijkbaar niet vergeten en wat je bent vergeten zul je je niet kunnen herinneren.

Can you find me an acre of land
Between the salt water and the sea-strand?

luidt een retorische vraag in Scarborough Fair, en zo zit er evenmin iets tussen onthouden en vergeten. Waar het ene is kan het andere niet zijn.

De afgelopen paar jaar ben ik anders over vergeten gaan denken. Die intuïtie van wederzijdse uitsluiting klopt niet, vergeten zit vanaf het begin door herinneringen gemengd, als gist door deeg, en kan die herinnering tot op het onherkenbare veranderen.Zo heb ik een hele reeks ingeslepen voorstellingen van wat vergeten is moeten herzien. Dat vergeten hiaten veroorzaakt in je geheugen, bijvoorbeeld, het is niet waar. Dat je autobiografie bepaald wordt door je herinneringen, zeer aanvechtbaar. Dat het gebruik van een kunstmatig geheugen, zoals fotografie of het schrijven van een dagboek, je herinneringen ondersteunt, hoogst twijfelachtig. In die twee jaar dat ik me op vergeten heb gericht kreeg ik de indruk dat de traditionele metaforen en intuïties me al die tijd langs lijnen hadden laten denken die geen recht deden aan de finesses van het vergeten.

Overigens bewaar ik aan de uitleg die ik zelf als eerstejaars psychologie kreeg over de neurologische toedracht van het vergeten een merkwaardige herinnering. Er waren twee mechanismen, zei de docent. Hij zou die uitleggen met behulp van een metafoor. Die metafoor moesten we onmiddellijk weer vergeten, het ging om de mechanismen. Stel je een tuin voor, met daarin een pad. Hoe kon dat pad weer verdwijnen? Op twee manieren: het kon langzaam weer dichtgroeien en tenslotte onzichtbaar worden, of er kwamen andere paden overheen te liggen, zodat het oorspronkelijke pad gaandeweg onder de kruisende paden verdween. U merkt, mijn geheugen is al even ongezeglijk als dat van Kant. Het zal vanavond niet de enige aanwijzing zijn dat het geheugen zich niet laat commanderen.

Wat volgt is een verzameling reflecties over vergeten, losjes gegroepeerd in drie paragrafen.

I ‘Der Name Lampe muß nun völlig vergessen werden’

Gedurende veertig jaar heeft de filosoof Kant zich in zijn vrijgezellenleven laten bijstaan door een trouwe huisknecht. Zijn naam was Martin Lampe, oud-soldaat in het Pruisische leger en gezegend met het gevoel voor punctualiteit dat Kant zo op prijs stelde. Helaas rees in 1802, Kant was toen al 78 jaar, een kwestie tussen beide heren. Drie biografen, tijdgenoten, hebben in het midden gelaten wat die kwestie was, in ieder geval voelde Kant zich gedwongen Lampe te laten gaan. De bediende werd opgevolgd door opnieuw een gewezen soldaat, aan wiens harde stem Kant in de twee jaar die hem nog restten niet meer heeft kunnen wennen.

Kant had een half leven met Lampe gedeeld. Lampe: dat was om vijf uur ‘s ochtends de klop op de slaapkamerdeur (‘Es ist Zeit!’). Lampe: dat was het sein dat het middagmaal gereed stond (‘Die Suppe ist auf dem Tische!’). Lampe: dat was de hand die het regenscherm aanreikte, de zilveren schoengespen poetste, de deur opende voor gasten, de pruik poederde, de ganzeveren bijpuntte.

Lampe uit zijn huis zetten, dat lukte Kant, Lampe uit zijn gedachten zetten niet.

Geprobeerd heeft hij het wel, uit alle macht zelfs, wat we weten door de vondst, kort na zijn dood, van een notitie in zijn studeerkamer. Daarop stond: ‘Der Name Lampe muß nun völlig vergessen werden’

Veel schrijvers, dichters en filosofen hebben onze machteloosheid tegenover het geheugen proberen uit te drukken, nimmer gebeurde dat aandoenlijker dan door deze instructie. Jezelf voorhouden dat je eens moet ophouden aan iets te denken is één ding, jezelf schriftelijk herinneren aan wat je moet vergeten is nog een machteloze stap verder.

Kant was een uitgesproken tegenstander van de mnemotechniek. Al die bewerkelijke mentale wandelingen door een huis, zoals de retorici van de Oudheid die hadden gepropageerd, dat was alleen maar een extra belasting voor het geheugen. Maar wat Kant deerlijk gemist moet hebben, die eerste weken na het vertrek van Lampe, was toch zoiets als een geheugenkunst, maar dan om te vergeten. En inderdaad: een vergeetkunst bestaat er niet. Wat zou je je er ook bij voor moeten stellen? Een wandeling door een imaginair huis waar je de te vergeten zaken achterlaat in de kamers en bij de herhaling van die wandeling tevreden constateert dat alle kamers leeg zijn? De omkering brengt je - opnieuw - niet veel verder.

Het is een geringe troost dat in de afdeling van het geheugen waar dit alles zich afspeelt, het autobiografische geheugen, het geheugen voor de eigen lotgevallen, ook het onthouden het zonder mnemotechniek moet stellen. Voor de onnozelste dingen bestaan ezelsbruggetjes en geheugensteuntjes, van de volgorde van de waddeneilanden tot de rangschikking van de Amsterdamse grachten, maar onze herinneringen zijn weerloos overgeleverd aan krachten waar we geen vat op hebben. Wie het autobiografische geheugen probeert te commanderen, dat van zichzelf of dat van een ander, kan net zulke curieuze uitkomsten bereiken als Kant. De Amsterdamse schilderes Arja van den Berg heeft als een van haar vroegste herinneringen, opgetekend door Nico Scheepmaker, dat haar moeder haar indringend aankeek en zei: ‘Dit moet je je altijd blijven herinneren!’. Dat weet ze nog goed, dat haar moeder dat zei.

Opdrachten richten niets uit in het autobiografisch geheugen. Daarom is die aanduiding ‘autobiografisch’ ook een misleidende metafoor. Van een autobiografie ben je zelf de auteur. Het autobiografisch geheugen heeft meer weg van een ongeautoriseerde biografie. En zelfs dat is al misleidend. Je geheugen is hooguit het manuscript van die biografie. Het is nog niet afgesloten, er wordt nog dagelijks aan gewerkt. En zoals schrijven schrappen is, krijgt je leven niet alleen vorm door wat er aan herinneringen in je geheugen terechtkomt, maar ook door wat er weer uit verdwijnt, door wat wordt weggegooid, doorgehaald of herschreven. Is het manuscript eenmaal een boek, en verschenen, dan zijn die ingrepen onzichtbaar geworden: van niemand wordt een schaduwmanuscript bijgehouden van wat er is geschrapt. (Dat zou pas werkelijk een vergeetboek zijn.)

Vergeten heeft iets heimelijks, iets steels, en dat komt omdat vergeten ook de sporen van het vergeten uitwist. In je geheugen leiden associaties nooit langs lege plekken, want lege plekken houden op een associatie te zijn. Onwillekeurig denk ik dan aan de deken die Witte Veder achter zijn paard over de grond liet slepen bij zijn nachtelijke verkenningen: in het duister ging hij ongezien voorbij, tegen de ochtend was hij spoorloos verdwenen.

In Ik heb nooit iets gelezen schrijft Karel van het Reve dat hij op een nacht langs de Achterweg liep. ‘De maan scheen door de bomen, en er gleden wolken langs de maan. Mij viel een liedje in: Süsser Mond, du gehst so stille/Durch die Abendwolken hin. Ik was tevreden dat mij dit liedje inviel. Vroeger zou ik zo’n inval als banaal terzijde hebben geschoven, maar nu bedacht ik dat de tijd misschien nabij is dat me bij het zien van die maan en die wolken helemaal niets invalt.’

Van het Reve was ‘tevreden’ met zijn inval, maar het tegengestelde gevoel, misnoegen, ergernis, zal zich bij hem niet hebben voorgedaan. Toen het eenmaal zover was dat hem geen liedjes meer invielen heeft hij dat niet opgemerkt: de associatie bleef uit en dat is het einde van het verhaal. In dit opzicht heeft het geheugen veel weg van het gezichtsveld. Als je gezichtsveld, door wat voor oorzaak dan ook, begint te krimpen zie je dat zelf niet. Je kunt de gevolgen opmerken, doordat je tegen dingen begint aan te botsen die je tevoren zou hebben gezien, maar de versmalling van je gezichtsveld kun je niet zien, het heeft geen randen. Op dezelfde wijze zie je in je geheugen geen leegte. Soms merk je de gevolgen, realiseer je je opeens dat je iets niet meer weet dat je tevoren nog wel wist, maar wat verdwenen is heeft geen open plek achtergelaten. Alleen daarom al is een geheugen geen archief of dossierkast: als er iets verdwijnt sluit wat er nog is op magische wijze weer aan, zodat alles nog even compleet lijkt als tevoren. Je beweegt je al associërend door je geheugen, er is geen andere manier, en associaties zijn nu eenmaal verbonden met wat er nog wel is. Associaties voeren je nooit langs lege plekken, want lege plekken houden op een associatie te zijn. Het beeld van een haperend of beschadigd geheugen als iets met gaten, hiaten, lacunes, is het beeld van een buitenstaander. Voor de innerlijke blik is het geheugen altijd vol.

In een documentaire die begin dit jaar in premiere is gegaan, Tegen het vergeten van de regisseur Tamara Miranda, komt een zekere mevrouw De Roode voor. Zij heeft in haar leven honderden reizen gemaakt. Van al die reizen heeft ze reisverslagen bijgehouden die ze ook allemaal heeft bewaard. Plus: alle tickets en toegangsbewijzen, plus: alle menu’s en plattegronden, plus: alle ansichtkaarten en foto’s. Alles ligt gearchiveerd in mappen en dossierdozen die de wanden van haar appartement bedekken. Op tafeltjes en in kasten staan nog eens honderden aandenkens en souvenirs. Bij alles wat ze oppakt hoort een verhaal. Als ze zich door de kamer beweegt, moeizaam, in een rolstoel, een droevig contrast met haar vroegere mobiliteit, kan ze bij alles wat ze oppakt een verhaal vertellen: waar ze het kocht, van wie ze het kreeg. Het lijkt alsof haar geheugen binnenstebuiten is geklapt: alles wat ze ziet en uit die archiefdozen tevoorschijn haalt is verbonden met associaties, zodat haar herinneringen als het ware om haar heen staan. Dat levert het beeld op van een curieus, gevarieerd, maar ook volkomen persoonlijk archief: het zijn haar herinneringen die er de betekenis aan geven, zonder haar geheugen zouden ze volkomen betekenisloos worden, zoals ze zelf ook wel beseft. Dat is het lot dat alle memento’s, aandenkens en souvenirs gemeen hebben, hun prullerigheid zonder het verhaal.

Op zeker moment moet mevrouw De Roode verhuizen van haar ruime appartement in Helpman, Groningen, naar een kamer waarin geen plaats is voor haar verzameling aandenkens, het meeste zal weg moeten. Maar hoe dat aan te pakken. Wat mag mee? Er komt een jongen langs met een notitieblok om te helpen inventariseren. Mevrouw De Roode en hij staan samen voor een wand met mappen. En dan doet ze een aandoenlijk voorstel: ze vraagt de jongeman of ze niet vast uit elke map wat weg kunnen halen, zodat alle mappen iets dunner worden en ze toch allemaal mee kunnen.

Dat voorstel is een volmaakt beeld voor wat er gebeurt in een geheugen waaruit herinneringen beginnen te verdwijnen. Hoeveel er door verval ook uit de mappen wegraakt, het blijft toch de complete verzameling mappen, er lijkt niets weg.

II Foto’s en herinneringen

Een vriend vertelde me dat hij na het overlijden van zijn vader met een foto naar een schilder was gegaan om er een portret van te laten maken. Het was een geslaagd portret geworden, op een paar kleinigheden na goed gelijkend, niet alleen op de foto, maar ook op de vader zoals zijn zoon zich hem herinnerde uit de laatste jaren van zijn leven. Hij had het portret nu een jaar of vijf in zijn bezit. Toen hij het onlangs weer eens bewust bekeek merkte hij dat hij zich nog wel herinnerde welke details hij destijds net niet goed getroffen vond, hij zou ze nog zo kunnen aanwijzen, maar ze niet meer kon zien. De verschillen waren verdwenen omdat er in zijn geheugen niets meer was waar het portret van afweek.

Het is moeilijk uit te maken wat er in die paar jaar is gebeurd. Is het geschilderde portret voor de herinnering geschoven, als een trage eclips die – eenmaal volledig – weigert verder te schuiven? Of is de herinnering misschien vervaagd en tenslotte verdwenen en zou dat ook zonder schilderij zijn gebeurd? Welke van deze twee ook, het effect is hetzelfde: voor mijn vriend is het nu het portret, met afwijkingen en al, dat het gezicht van zijn vader is geworden.

In een verhaal van Edgar Allan Poe, Het ovale portret, staat de verteller oog in oog met een uitzonderlijk levensecht schilderij. Het blijkt het portret van de bruid van de schilder. Maar er is een tragedie mee verbonden: terwijl de vrouw poseerde en het portret vorm kreeg kwijnde ze zelf weg. De schilder was zo opgegaan in zijn werk dat hij niets had gemerkt. Toen hij de laatste toetsen had aangebracht op de mond en de ogen draaide hij zich om naar zijn geliefde en zag tot zijn ontzetting dat ze was overleden. Het portret, geschilderd ‘naar het leven’, zoals men zegt, had dat leven niet afgebeeld, maar overgenomen. Portretten lijken hetzelfde te doen met de levende herinnering.

Het verhaal van Poe verscheen voor het eerst in 1842, de tijd dus dat de daguerreotypie net de oceaan was overgestoken en de eerste Amerikanen zich hadden laten portretteren. Heeft Poe hierop gezinspeeld? Is zijn verhaal een metafoor voor de superioriteit van de schilder, die werkelijk leven in een portret kan leggen? Het vraagteken moet blijven staan. Poe, die in 1848 zelf poseerde voor een ovaal portret, een daguerreotype (en kort daarop stierf, alsof hij zijn eigen verhaal wilde illustreren), heeft niets losgelaten over de betekenis van zijn verhaal. Maar de relatie tussen een geschilderd en een fotografisch portret intrigeert, juist als het de nagedachtenis betreft. Wat mijn vriend wilde, een geschilderd portret naar een foto, is niet zeldzaam, veel mensen laten hun overleden dierbaren schilderen. Maar waarom? Waarom is de foto, blijkbaar levensecht genoeg om voor de schilder als model te dienen, niet toereikend?

De fotografiehistoricus Geoffrey Batchen schrijft dat in de jaren zestig van de negentiende eeuw in Amerika het genre van de ‘tintype’ populair werd: een collodiumnegatief op een zwart ijzeren plaatje, dat tegen de donkere achtergrond de indruk maakt het positief van de foto te zijn.

Deze ‘tintypes’ werden beschilderd door portretschilders die door de opkomst van de fotografie hun markt hadden verloren. Het resultaat, eenmaal ingelijst, hield het midden tussen een foto en een schilderij. Al naar gelang het overwicht van de ene of de andere techniek zag men een foto waar overheen geschilderd was of een schilderij waar een foto onder zat, in beide gevallen een hybride afbeelding van de man of vrouw die had geposeerd.

Maar men ziet er ook aan af wat men van deze techniek verwachtte, hetzelfde wat nabestaanden misschien hopen van een schilderij naar een foto: de vereniging van de voordelen van beide technieken. Van de fotografie het realisme, de gedetailleerde registratie, van de schilderkunst de interpretatie en expressie. Helaas was de uitkomst bij de ‘tintypes’ destijds zo ongeveer het tegenovergestelde: door het – letterlijk – onderliggende realisme maakten ze een surrealistische indruk, terwijl de dikke verflaag veel van de individualiteit uitwiste en ze zo juist een wat mechanische sfeer gaf. Schilderijen náár foto’s, in plaats van op foto’s, slagen meestal beter, misschien omdat het de schilder meer speelruimte geeft voor zijn behandeling van diepte, kleur en licht.

Wat portretten, hoe ook gemaakt, gemeen hebben is hun gevaar voor herinneringen, al is dit een gevaar dat vaker bij fotografie dan bij schilderkunst is gesignaleerd. ‘Een foto bewaart iets’, schreef Rudy Kousbroek naar aanleiding van een expositie en het bijbehorende boek van Geoffrey Batchen, ‘maar dat er door het proces van bewaren tegelijk iets wordt vernietigd is niet altijd duidelijk. Een portretfoto, vooral van een gestorvene, komt in de plaats van de herinnering; de foto verdringt het, vervangt het, doet iets vervagen in het geheugen.’ De vraag rijst dus, voor de psycholoog, waarom hebben foto’s dit effect? Is het werkelijk dóór de foto dat de herinnering verdwijnt? Waarom bewaart ons geheugen niet de herinnering en de foto? Ruimtegebrek misschien?

De klassieke experimenten die op zoek gingen naar de limieten van het visueel geheugen zijn al uitgevoerd in de jaren zeventig. Die limieten bleken een wijkende horizon. Proefpersonen kregen meer dan 2500 dia’s te zien, elk tussen de vijf en tien seconden, en wisten die vier, vijf dagen later nog temidden van afleidende dia’s met een percentage van 90 procent correct te identificeren. Dat is al opmerkelijk veel, zeker omdat op de dia’s werkelijk niets bijzonders was te zien: een boom, een vliegtuig, een hond. In een vervolgexperiment kregen proefpersonen tienduizend dia’s te zien, in vijf sessies van 2000 dia’s per dag. Ook deze dia’s werden dagen later voor het overgrote deel correct geïdentificeerd. Het is onmogelijk de capaciteit van het visueel geheugen te bepalen, omdat je tevoren al op een andere limiet bent gestuit: die van de menselijke tolerantie voor verveling. Ruimtegebrek is blijkbaar het probleem niet, in ons visueel geheugen.

Maar wat zo’n experiment toetst, zou iemand kunnen opmerken, is eerder herkenning dan herinnering, van een dia kunnen aangeven dat je die eerder hebt gezien is nog iets anders dan die dia uit je geheugen kunnen oproepen. Dat is waar en het is een opmerking die in de richting wijst van een verklaring voor het vervagen van gezichten in ons geheugen. Informatie in het visueel geheugen laat zich met een zekere gretigheid updaten. U hebt zich vanavond goed ingeprent waar u uw fiets hebt staan of de auto hebt neergezet en dat is ten koste gegaan van uw herinnering aan waar u dat de vorige keer had gedaan. Als die oude herinnering nog even scherp was als de meest recente zou een grote verwarring het resultaat zijn, u zou na afloop nog lang over de grachten dwalen langs plekken waar uw fiets of auto ooit ook had gestaan. Ons geheugen gooit oude versies blijkbaar weg of schrijft eroverheen of maakt ze ontoegankelijk, de consequentie is in ieder geval dat alleen de nieuwste uitgave is te raadplegen. Het is gemakkelijk om daar het evolutionaire voordeel in te zien.

Maar ditzelfde prachtige mechanisme mikt ook de herinneringen aan de gezichten van onze kinderen, man, vrouw, vrienden en ouders uit ons geheugen. De herinnering aan hun gezicht is telkens gereviseerd en vernieuwd en daarbij is de vorige editie verwijderd. Foto’s zijn kunstmatige associaties die ons wèl langs lege plekken voeren. Wat fotografie zo’n weemoedig medium maakt is dat het ons eraan herinnert wat we ons niet meer kunnen herinneren.

Het is niet de enige dubbelzinnigheid in de verhouding tussen foto’s en herinneringen. Foto’s, wordt vaak gezegd, hebben een duurzaamheid die een herinnering nooit zal hebben. Een herinnering kan een mensenleven lang meegaan – maar ook geen seconde langer. Je herinneringen aan iemands oogopslag, mimiek en gebaren zullen bij anderen nooit de herinneringen worden die ze bij jou zijn. Wat we zijn in de herinneringen van anderen verdwijnt met die anderen, het is niet anders. Foto’s blijven. Maar wat blijft er precies van een foto?

In Hersenschimmen van Bernlef bladert Maarten, de dementerende hoofdpersoon, samen met zijn vrouw Vera door het fotoalbum. Hun huisarts vond het een goede methode om Maartens herinneringen ‘op orde te brengen’. De foto’s van lang geleden brengen veel herinneringen terug, de oorlog, het eten van toen, de meubels, de uitstapjes, de vakanties in pensions, de kinderen toen ze nog kinderen waren. Maar foto’s van latere jaren zeggen hem niets. ‘Misschien komt het door de foto’s zelf’, mijmert Maarten. ‘Een camera maakt geen onderscheid tussen belangrijk en onbelangrijk, voor- of achtergrond. En op zo’n toestel lijk ik op het ogenblik zelf wel. Ik registreer, maar niets of niemand komt naderbij, spingt naar voren; niemand raakt me met een gebaar, een verraste gelaatsexpressie vanuit het verleden aan en deze gebouwen, straten en pleinen bestaan in steden waar ik nooit geweest ben en nooit komen zal. En hoe dichter de foto’s, blijkens de datering eronder, het heden naderen, des te ondoordringbaarder en raadselachtiger lijken ze wel te worden.’

Bernlef creëert hier een spiegeleffect. Wat in Maartens geheugen verloren gaat, aan scherpte, focus en betekenis, verdwijnt ook uit de foto’s. En het verdwijnt ook met de geleidelijkheid en in de richting die al sinds het einde van de negentiende eeuw bekend staat als de ‘Wet van Ribot’, naar de Franse arts Théodule Ribot, die ontdekte dat geheugenverlies bij dementie verloopt van recent naar vroeger. Maar daarmee verdampt tegelijk de prothetische waarde van foto’s. Als een paar dagen later de dokter zelf langskomt en vraagt hoe het gegaan is met het foto’s kijken, zegt Maarten: ‘Foto’s zien is iets anders dan foto’s kijken. Iedereen kan foto’s bekijken, maar een foto zien betekent dat je hem kunt lezen.’ En hij legt uit: ‘U kunt dat fotoalbum op tafel voor het grootste deel niet lezen omdat u de noodzakelijke achtergrondinformatie mist. U was er niet bij. U kunt er zich met andere woorden niets bij voorstellen omdat u zich niet herinneren kunt wat eens echt te zien was. Het is uw verleden niet.’ De paradox is dat je herinneringen nodig hebt om te beseffen dat je je bij die foto’s iets zou moeten herinneren.

Dementie verscherpt dubbelzinnigheden die ook in het gewone, gezonde leven in de verhouding tussen foto’s en geheugen zijn aan te wijzen. Foto’s veroorzaken soms dezelfde omkering van de tijd als in de ‘Wet van Ribot’, juist in de ouderdom kunnen ‘oude’ foto’s meer herinneringen oproepen dan recente, een fenomeen dat voortkomt uit het reminiscentie-effect. Dat Maarten van alles kan vertellen over foto’s van lang geleden, maar niet kan doordringen in foto’s van tien jaar geleden is een groteske vervorming van een mechanisme dat in ieder ouder wordend geheugen werkzaam is.

Op een rommelmarkt of de kijkdag van een veiling kun je soms plotseling met een oud fotoalbum in je handen zitten. Het is zo te zien aangelegd aan het einde van de negentiende eeuw, zo lang geleden dat je zeker weet dat iedereen in dit album, ook de jongste, dat meisje daar links, nu dood is. Zelfs de mensen die zich deze mensen ooit herinnerden zullen nu dood zijn. Hoe zulke albums tussen de rommel terecht zijn gekomen blijft vaak in het vage. Misschien waren er geen nazaten meer, misschien hechtten ze geen belang aan foto’s van nooit ontmoete familieleden. De foto’s zijn hun verleden niet. Een foto heeft herinneringen nodig om werkelijk een voorstelling te zijn. Het geheugen mag je je voorstellen als de kijker van een stereoscoop. Herinneringen geven diepte aan de foto’s die je erin schuift, spannen een derde dimensie op, ze trekken de blik naar binnen, alsof je je even in de afbeelding bevindt en omgang hebt met wat daar te zien is. Zonder herinneringen valt iedere suggestie van perspectief weg. Wij kijken naar de foto’s in een vergeten album zoals Maarten naar zijn recente foto’s, we kijken wel, maar zien niets.

III Herinneringen aan herinneringen

We komen aan het hogere vergeten. Er is tenminste één asymmetrie tussen jeugd en ouderdom in het voordeel van de ouderdom, was ik gewoon te denken: iemand van zestig weet wel hoe het is om twintig jaar te zijn, maar iemand van twintig weet niet hoe het is om zestig te zijn. We hebben immers het gevoel dat ook de twintigjarige die we ooit waren de sporen van zijn ervaringen in ons geheugen heeft achtergelaten en dat die zijn opgenomen in de sporen van latere jaren, ongeveer zoals de jonge boom nog in de oude boom staat, kijk maar naar de jaarringen. Het is het gevoel dat er van die twintigjarige nog voldoende in ons zit om hem ermee te kunnen reconstrueren.

Dat is te zorgeloos gedacht. Niet alleen zijn veel van de herinneringen van de twintigjarige allang verdwenen, waar we nu, zoveel jaar later, over beschikken zijn hooguit herinneringen aan zijn herinneringen - en dat is heel iets anders.

Herinneringen zijn selectief, onvolledig, gekleurd; herinneringen aan herinneringen zijn dat a fortiori en introduceren nog het toegevoegde probleem dat ze ons verleden veranderen. De zestigjarige herinnert zich het verleden van de twintigjarige anders dan de twintigjarige zelf. In 2000 verscheen een onderzoek waarin bijna zeventig mannen van 48 jaar waren ondervraagd over hun jeugd, voor een deel aan de hand van dezelfde vragen die hen in 1962 waren gesteld. De vragen informeerden in ruime zin naar hun denken en beleven als veertienjarige jongen, hun zelfbeeld, persoonlijkheid, seksualiteit, vrienden, positie in het gezin, school, opvoeding, godsdienst. De achtenveertigjarigen werd verzocht zich terug te verplaatsen in de jongen die ze destijds waren en het antwoord te geven dat passend zou zijn voor hoe ze er toen over dachten.

Een terugblik over een afstand van vierendertig jaar, zo bleek, doet iets eigenaardigs met je herinneringen. Een paar grepen. Na de vraag ‘Wie was je moeders oogappeltje, jij of een van de andere kinderen?’ antwoordt dertig procent van de mannen: ‘Ik’ - twee keer zoveel als in 1962. Op de vraag ‘Wat is (was) je moeders slechtste eigenschap?’ antwoordde een kwart van de veertienjarigen dat ze haar gevoelens niet toont. Bij de achtenveertigjarigen is dat nog maar twee procent. Van de jongens vond zeventig procent dat hij meer van zijn vader wegheeft dan van zijn moeder, bij de achtenveertigjarigen is dat fifty-fifty. Bij veel vragen is de discrepantie een verdubbeling of halvering. De achtenveertigjarigen beschrijven de opvoeding door hun vader twee keer zo vaak als streng. Wie van de ouders neemt (nam) de meeste beslissingen thuis: een forse verschuiving in het voordeel van de moeder. Het ‘ja’ op de vraag of je thuis wel eens een tik kreeg zakt van 82 naar 33 procent. ‘Ruzie met broertjes of zusjes’ als antwoord op de vraag wat je het vervelendst vindt thuis zakt van zestien naar twee procent. Voor de goede orde: in dit onderzoek was de vraag niet hoe ze nu terugkeken op hun leven als veertienjarige, maar hoe ze zich herinnerden dat de veertienjarige zijn leven ervaarde. Dus niet: wie denkt u, terugkijkend als achtenveertigjarige, dat uw moeders oogappel was, maar: herinnert u zich of u als veertienjarige dacht dat u uw moeders oogappel was. De antwoorden op deze vraag wezen dus uit dat heel wat mannen van middelbare leeftijd met terugwerkende kracht mama’s lieveling waren geworden. De veertienjarige was in hun geheugen niet geconserveerd, maar getransformeerd.

Een deel van de discrepanties is misschien te verklaren doordat het zo moeilijk is dit onderscheid telkens in gedachten te houden, zodat de mannen toch elke vraag hebben beantwoord met hun huidige oordeel of ze streng waren opgevoed of veel ruzie hadden met hun broertjes en zusjes. Maar zelfs als je dit verdisconteert moet de conclusie wel zijn dat de man van middelbare leeftijd het contact met de puber die hij was heeft verloren.

Die achtenveertigjarigen meenden te goeder trouw en naar vermogen die jongen van veertien weer op te roepen en dachten daar ook in geslaagd te zijn. Maar soms weet je dat je geen toegang meer hebt tot de oorspronkelijke herinnering omdat je onmogelijk het perspectief van toen kunt herstellen. Ik herinner mij een felle ruzie met mijn vader over de verplichting naar catechisatie te gaan toen ik een jaar of zestien was. Ik herinner mij ook dat ik die discussie lang met een soort triomfgevoel heb herinnerd: ik was zeer tevreden met mijn argumenten, de onverzettelijkheid die ik had getoond, het sarcastische commentaar op zijn argumenten, en zo verder. Inmiddels is het mij onmogelijk me die woordenwisseling nog zo, als in de oorspronkelijke herinnering, te herinneren. Als ik er nu aan terugdenk is die triomfantelijke sfeer vervangen door schaamte: schaamte over hoe ontoegankelijk ik was voor wat hem bewoog en wat hij met zijn kinderen voorhad, schaamte over mijn sarcasme over zijn doopgelofte, schaamte over mijn zelfingenomenheid. De oorspronkelijke scène is er nog wel, maar hij is niet meer op te roepen zoals hij ooit herinnerd werd – en is in die zin dus vergeten.

Soms kan een gebeurtenis zich hardhandig meester maken van herinneringen die, dacht je, veilig en onaantastbaar lagen opgeslagen. Stel, iemand is bedrogen door zijn partner – partner in de liefde, in zaken of in nog iets anders. Het bedrog was al een jaar gaande, vrijwel iedereen wist ervan, alleen hij nog niet. Maar nu is het uitgekomen. In zijn geheugen komt dan een giftig soort gisting op gang, die maanden kan aanhouden. De ene na de andere herinnering aan wat ze het afgelopen jaar zoal samen hebben gedaan lijkt helemaal uit zichzelf actief te worden, naar voren te springen en zich voor revisie aan te bieden. Herinneringen aan uitstapjes, etentjes, gesprekken, allemaal dringen ze zich op en ze willen pas weer terug het geheugen in als ze zijn overdacht met de wetenschap dat dit zich allemaal heeft afgespeeld toen het bedrog al begonnen was. Het voelt als een overval op het verleden, alsof iets dat al als tegoed geboekt was, alsnog wordt weggegrist. Het bedrog is niet een herinnering erbij, maar een transformerende factor in de herinneringen die er al waren.

Het grote literaire monument voor het herinneren is A la recherche du temps perdu; het literaire monument voor de revisie van herinneringen zal zijn: Verbeterde editie, van Péter Esterházy.

In het voorwoord vraagt hij de lezer eerst een ander boek te lezen: Harmonia caelestis. Wie dat doet leest over de geschiedenis van het geslacht Esterházy, dat al eeuwenlang zo’n vooraanstaande positie in Hongarije had, dat de lotgevallen van de Esterházy’s bijna samenvielen met die van de Hongaarse geschiedenis. De Esterházy’s waren grootgrondbezitters op een schaal die bijna niet te berekenen was en door Péter Esterházy wel eens wuivend is omschreven als ‘half Hongarije’. In het tweede deel van Harmonia beschrijft hij zijn eigen jeugd als telg uit al deze aristocratie, tevens de laatste, want na de communistische machtsgreep van 1956 werd al het bezit onteigend. Zijn vader verloor behalve al zijn bezit ook de titel van graaf. Wat hij niet verloor, in de ogen van zijn zoon, was zijn aangeboren adel van geest, zijn veerkracht, zijn trots. Dit deel van het boek lees je als een eerbetoon aan iemand die alles afgenomen was en tegelijk alles had behouden. Péter Esterházy ontleende daar zelf ook zijn trots aan. Ik citeer:

Dat ze hem niet klein hadden kunnen krijgen (!), dat hij niet gefrustreerd geraakt was, geen gekwetste verliezer geworden was, maar een vrije verliezer, dat heeft veel voor mij betekend. Via hem kon ik trots zijn op mijn familie - en (ook) daardoor was ik sterk. Of liever gezegd: relaxed. Relaxed, dat wil zeggen zelfverzekerd zonder kouwe drukte. Ik kon rustig onzeker en tegelijk zelfverzekerd zijn. Het laatste kon ik zijn zonder aan mezelf te hoeven denken. Ik hoefde mezelf niet te zuiveren. Want er was een groot (familie-)achterland - en daarheen leidden alle wegen via hem.

Dit citaat komt uit Verbeterde editie. Het is geschreven in de verleden tijd, een tijd die voor Esterházy ook werkelijk verdwenen is. Kort na de verschijning van Harmonia caelestis kwamen in het Historisch Instituut te Boedapest, het Hongaarse equivalent van de Stasi, dossiers aan het licht die uitwezen dat vader Esterházy tussen 1957 en 1980 rapporteerde voor de Hongaarse geheime dienst. Zijn vader bleek een verklikker. Hij rapporteerde niet alleen over collega’s en vrienden, maar ook over zijn eigen familie, zijn eigen gezin. In het prachtige handschrift dat hij altijd zo had bewonderd leest Péter Esterházy aantekeningen over zichzelf. Verbeterde editie is een verslag van wat deze ontdekking in zijn leven heeft aangericht. Het bevat aantekeningen uit het dagboek dat Esterházy begon bij te houden, overgeschreven delen uit het dossier van zijn vader, mijmeringen over wat hij in Harmonia had geschreven, want dat boek begon net in die tijd een groot publiek te veroveren, maar vooral bevat het de honderden ‘verbeteringen’ waar het boek zijn titel aan ontleent. Eén voorbeeld moet voor vele staan:

Mijn vader is nu, nu pas, de graaf van het niets geworden. Dat heeft nu een zwaarwegende betekenis gekregen (gaat die nu krijgen). Tot nu toe is het eerder een mooie en treffende uitdrukking geweest. Een ware uitdrukking, maar ergens toch ook een triomfantelijke: die nobody’s, die stakkers zijn duidelijk geen stakkers, geen nobody’s, ze zijn duidelijk maar al te rijk (alleen betalen ze minder omzetbelastig dan honderd, driehonderd, vierhonderd jaar geleden), ze zijn rijk, omdat ze het belangrijkste behouden hebben: zichzelf.

Die triomf is verdwenen. Opnieuw: het verraad van de vader is niet een herinnering erbij, het is een herinnering die alles wat er al was heeft veranderd.

Het vermogen van herinneringen achteraf iets anders te worden is de beslissende weerlegging van de intuïtie dat vergeten het tegendeel is van herinneren. De gereviseerde herinnering is nog steeds een herinnering, maar niet meer aan wat oorspronkelijk herinnerd werd en daarom is het óók een vorm van vergeten.

Herinneringen delen door hun intuïtieve associatie met het verleden ten onrechte in de onveranderlijkheid van het verleden. In werkelijkheid wordt elke herinnering opgeladen doordat zich een contact sluit tussen twee polen in de tijd: het verleden van de herinnering en het nu waarin de herinnering wordt opgehaald. Iedere herinnering, hoe oud ook, is heel even het nieuwste, het heden, en iets - of soms heel veel - van dat heden schuift in de herinnering en kan er iets anders van maken. Aan de gedachte dat je van bepaalde herinneringen, ook al zijn ze oud, nu nog treurig of vrolijk kunt worden is iedereen gewend, dat omgekeerd je stemming herinneringen van gedaante kan laten veranderen vereist een revisie van je voorstelling van de herinnering als getrouwe copie van je verleden.

U herinnert zich Kants aansporing Der Name Lampe muß nun völlig vergessen werden. Harald Weinrich heeft in zijn monografie Lethe, gewijd aan het vergeten, een nieuwe lezing van deze notitie beproefd. In de laatste jaren van zijn leven ontwikkelde Kant een snel toenemende vergeetachtigheid. De verschijnselen suggereren een beginnende Alzheimer. Zijn zuster, die nooit een lettergreep van de Kritik der reinen Vernunft had begrepen, moest nu zijn zinnen afmaken. Op het laatst herkende hij zelfs zijn intiemste vrienden niet meer. Maar Kant had ook een reputatie hoog te houden als een geestige, aanstekelijke causeur. Zijn vrienden vervelen door zichzelf te herhalen moet wel het laatste zijn geweest dat hij wilde. Daarop wijst de vondst van briefjes waarop Kant blijkbaar noteerde wat er in de gesprekken met zijn vrienden aan de orde was geweest. Jezelf herhalen en zo verraden dat je bent vergeten wat je gisteren hebt gezegd, het is de angst van iedere Alzheimerpatiënt.

Kan het niet zo zijn, vraagt Weinrich zich af, dat de notitie over Lampe bedoeld was om zichzelf eraan te herinneren nu niet wéér te beginnen over de noodzaak Lampe te vergeten?

Het maakt de tekst niet minder aandoenlijk, integendeel bijna, het is in deze lezing geen instructie meer, eerder een bezwering, van het wanhopige soort. Een bezwering bovendien die spoedig niet meer nodig zou zijn: niet veel later was Lampe inderdaad vergeten, samen met al het overige.

Maar als een tekst, opgeschreven en al, tweehonderd jaar later nog van gedaante kan veranderen, hoeveel gemakkelijker dan niet een levende herinnering?


Literatuur

Batchen, G., Forget me not. Photography and remembrance, New York, 2004.

Bernlef, H., Hersenschimmen, Amsterdam, 1984.

Draaisma, D., De Metaforenmachine, Groningen, 1995.

Esterházy, P., Harmonia caelestis, Amsterdam, 2002.

Esterházy, P., Verbeterde editie, Amsterdam, 2004.

Kousbroek, R., ‘Een parallelle natuurkunde’, Cultureel Supplement NRC, 26 maart 2004, 17.

Offer, D., Kaiz, M., Howard, K.I. & Bennett, E.S., ‘The altering of reported experiences’, Journal of American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39 (2000), 735-742.

Reve, K. van het, Ik heb nooit iets gelezen, Amsterdam, 2003.

Scheepmaker, N., De eerste herinnering, Amsterdam, 1988.

Standing, L., ‘Learning 10,000 pictures’, Quarterly Journal of Experimental Psychology, 25 (1973), 207-222.

Weinrich, H., Lethe. Kunst und Kritik des Vergessens, München, 1997.

Terug...