| Douwe Draaisma - Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt De geheimen van het geheugen |
||||||||
![]() |
LANG JONG, KORT OUD De straten van je jeugd zijn kleiner dan in je herinnering. Terug in je oude buurt loop je die eindeloos lange straat van vroeger in en bent in een paar stappen de hoek om. Stegen, tuinen, pleinen, parken, ze zijn gekrompen tot misschien de helft van hun oude omvang: Zelfs de scholen zijn gekrompen, het is een wonder dat de onderwijzers, die hun lengte hebben behouden, er nog in passen. Als verklaring is wel geopperd dat straten voor een kind lang zijn omdat het zichzelf als maat neemt. Eenmaal volwassen, twee keer zo lang, zijn de straten gehalveerd. Uitgeteld in de passen van toen zijn ze nog precies even lang. Blijkbaar is je geheugen onderhevig aan een optische illusie op de schaal van een mensenleven. Hoewel iedereen zich bewust is van het illusoire effect, is het moeilijk zich eraan te onttrekken. Men hoort nooit dat iemand zegt: ik was laatst terug in mijn oude buurt en dacht dat alles vreselijk klein zou lijken, maar nee hoor, alles was nog precies even groot. Net als bij echte visuele illusies leidt vergelijking met de werkelijkheid ook niet tot herstel van de normale verhoudingen. Straten, eenmaal gekrompen, krijgen nooit meer hun normale lengte, net zomin als het helpt een trui veel koud te wassen als je die één keer te heet hebt gewassen. Doet je geheugen hetzelfde met de tijd van je jeugd? Een essentieel verschil tussen tijd en ruimte is dat je - veelal - wel kunt terugkeren naar de plekken van vroeger, maar niet meer naar de tijd van toen. In de straten van vroeger loop je nooit meer als zesjarige. Het tijdsverloop dat je je herinnert is niet meer te toetsen aan de werkelijkheid. Het is de vraag of die toetsing werkelijk effect zou hebben. Veel schattingen en oordelen over tijd, zoals 'lang geleden' of 'oud' verzetten zich net als de terugblik op de straten van vroeger tegen correctie. Misschien komt dat omdat ze berusten op een bijzondere maat: jezelf. Voor een kind is een jaar zo'n groot deel van zijn leven, geen wonder dat het lang duurt. Kinderen maken lange dagen in hun lange straten. Ons hele leven blijven we oordelen met een maat die zelf verandert en dus eigenlijk geen maat is. Je ouders zijn altijd oud geweest - tot je zelf kinderen krijgt en uitrekent hoe oud je ouders waren toen jij zo oud was als je kinderen nu zijn. Leraren zijn ook altijd oud - tot je ze twintig jaar later op een reünie tegenkomt en ze heimelijk een beweging tegen de tijd in blijken te hebben gemaakt. Eerstejaars worden ieder jaar jonger (net als hun ouders). Dat een periode van tien of twintig jaar voor de kalender constant is, maar in de persoonlijke beleving een wisselende lengte heeft, kan met zich meebrengen dat een episode uit het verleden die volgens de kalender steeds verder achter je komt te liggen, in het subjectieve oordeel juist dichterbij lijkt te komen. Wie tien jaar na de oorlog is geboren ziet die afstand op zijn vijftiende anders dan op zijn vijftigste. Zelfs in oordelen over de toekomstige tijd heeft de persoonlijke maat een aandeel. Eenmaal op de leeftijd waarop men vertrouwd is geraakt met de versnelling van de tijd kan tien jaar kort lijken, terwijl diezelfde periode voor een twintigjarige nog een kleine eeuwigheid lijkt. Iedereen is, kortom, zijn eigen glijdende maat en net als bij een ouderwetse rekenliniaal hangt de uitkomst van de berekening af van de positie van de schuiflat. Over de richting van die verschuiving bij het ouder worden bestaat intussen geen twijfel. Objectieve vertraging creëert subjectieve versnelling en daarin speelt het tempo van biologische klokken mee. Veel van die klokken draaien in een jong lichaam nu eenmaal sneller dan in een ouder lichaam. Als we onze leeftijd uitdrukten in de omwentelingen van fysiologische klokken, schreef de al even aangehaalde Carrel, zouden we moeten zeggen dat we heel lang jong zijn en maar kort oud. Misschien dat daarom de dagen als kind zo lang waren en de tijd van de ouderdom zo verontrustend snel voorbijgaat: onbewust zien we de tijd van de klok tegen de achtergrond van de fysiologische tijd. De objectieve tijd, legde Carrel uit, die van de klok, glijdt in een gelijkmatig tempo voort, als een rivier door laagland. Aan het begin van zijn leven rent de mens nog kwiek langs de oever, sneller dan de stroom. Rond het middaguur is zijn tempo al wat lager en loopt hij gelijk op met de rivier. Tegen de avond, als hij vermoeid raakt, versnelt de stroom en raakt hij achter. Ten slotte blijft hij stilstaan en gaat liggen, naast een rivier die zijn loop vervolgt in hetzelfde onverstoorbare tempo waarin hij de hele dag al heeft gestroomd. |
|||||||
| Terug naar 'De herinnering is als een hond...' | ||||||||
| Terug naar Boeken | ||||||||
![]() |
||||||||
| Ook verkrijgbaar als Rainbow Pocket www.rainbow.nl |
||||||||
![]() |
||